Europa heeft met nieuwe regelgeving geprobeerd meer inzicht te krijgen in de duurzaamheid van datacenters, maar de eerste resultaten laten zien hoe beperkt dat inzicht nog is. Uit de eerste rapportageronde onder de herziene European Union-richtlijn voor energie-efficiëntie blijkt dat veel exploitanten niet over voldoende of juiste data beschikken.
Dit blijkt uit berichtgeving door Datacenter Knowledge. De Europese verplichting, de Energy Efficiency Directive, geldt voor grotere datacenters, die gegevens moeten aanleveren over energieverbruik, watergebruik en duurzaamheid. Die informatie wordt verzameld in een centrale Europese database om de ecologische impact van de sector beter te begrijpen. In de praktijk botst die ambitie met de realiteit.
Volgens Simon Hinterholzer van het Borderstep Institute laat de eerste rapportage zien hoe groot de kloof is tussen beleidsdoelen en beschikbare data. Hij stelt dat geen duidelijk beeld is ontstaan van het energiegebruik, omdat data vaak ontbreekt of van lage kwaliteit is.
Slechts een minderheid van de datacenters heeft gegevens ingediend. Sommige lidstaten leverden helemaal niets aan. Daardoor ontstaat een fragmentarisch beeld waarin betrouwbare conclusies lastig zijn. Zelfs binnen de beschikbare dataset zijn belangrijke variabelen vaak onvolledig of inconsistent.
Hinterholzer geeft aan dat de datakwaliteit soms zo laag was dat correcties nodig waren. Hij wijst erop dat er gevallen waren waarin het IT-verbruik hoger werd gerapporteerd dan het totale energieverbruik van een faciliteit, wat onmogelijk is.
Colocatie zorgt voor onduidelijkheid
Een belangrijk struikelblok is het colocatie-model. Daarbij beheren aanbieders de infrastructuur, terwijl klanten de servers en operationele data controleren. Dit maakt het lastig om een compleet beeld te vormen. Volgens Hinterholzer raakt dit vooral IT-data, terwijl basisinformatie zoals stroom en water beter beschikbaar is.
Ook de meetmethodes spelen een rol. Indicatoren zoals PUE en hernieuwbare energie zijn redelijk gedocumenteerd, maar voor watergebruik en warmteterugwinning ontbreekt vaak consistente data. Hinterholzer merkt op dat sommige definities tot vertekende uitkomsten leiden, bijvoorbeeld wanneer waterinvoer wordt gemeten in plaats van verbruik.
Beleidsmakers stellen ondertussen strengere eisen aan efficiëntie, duurzame energie en watergebruik. Tegelijkertijd zijn veel datacenters nog niet uitgerust om dit goed te meten. Vooral oudere en kleinere locaties lopen achter.
Volgens Hinterholzer zijn veel problemen oplosbaar, maar dat vereist investeringen in betere meet- en validatiesystemen. Hij benadrukt dat foutieve invoer direct gesignaleerd moet worden en pleit voor uniformere definities en nauwkeurigere data over koolstofvrije energie.
Ondanks de beperkingen biedt de dataset een eerste inkijk. Gemiddelde cijfers liggen relatief hoog, maar worden beïnvloed door grote datacenters. De mediaan ligt lager, wat laat zien dat kleinere faciliteiten minder verbruiken.
Hinterholzer ziet de eerste rapportage als een beginpunt. Hij verwacht dat volgende rondes meer deelname en betere datakwaliteit zullen opleveren.